Skip to content

ANPR-camera’s volgen iedereen: Privacy First trekt aan de noodrem

ANPR-camera’s registreren ook onverdachte automobilisten. Privacy First vecht de regeling aan; het hof eist stevigere waarborgen.

en camera langs de weg lijkt misschien onschuldig. Je rijdt voorbij en vervolgt je route. Maar met automatische kentekenherkenning (ANPR) kan de overheid vastleggen waar en wanneer een voertuig is gezien. Ook als de bestuurder nergens van wordt verdacht.

Onder de Nederlandse ANPR-regeling kunnen kentekengegevens, inclusief locatie en tijdstip, vier weken worden bewaard voor opsporingsdoeleinden. Volgens de informatie in de rechtszaak staan er op minstens 1.176 locaties camera’s die deze techniek toepassen. Dat maakt dit geen klein, gericht onderzoek meer, maar een systeem dat grote aantallen gewone verkeersdeelnemers raakt.

Niet verdacht, toch geregistreerd

Het fundamentele probleem is eenvoudig: de registratie begint niet bij een concrete verdenking. Mensen die naar hun werk rijden, familie bezoeken of boodschappen doen, kunnen in een politiedatabase terechtkomen zonder dat ze iets verkeerd hebben gedaan.

Een kenteken is op zichzelf geen volledig reisdagboek. Maar wanneer kentekens worden gekoppeld aan tijdstippen en locaties, ontstaat wel de mogelijkheid om achteraf te reconstrueren waar een voertuig is geweest. Hoe meer registraties beschikbaar zijn en hoe makkelijker ze kunnen worden geraadpleegd, hoe groter het risico dat een systeem voor opsporing verandert in een infrastructuur voor het volgen van burgers.

Een vrije samenleving behandelt niet iedereen als een datapunt dat standaard gevolgd mag worden, om pas later te bepalen of er reden was om te kijken.

Privacy First stapt naar de rechter

Stichting Privacy First voert sinds 2021 een rechtszaak tegen de Staat om de wettelijke basis voor deze grootschalige kentekenregistratie aan te vechten. De stichting stelt dat het systematisch vastleggen van de bewegingen van miljoenen automobilisten een ernstige inbreuk op de privacy vormt. Daarmee brengt Privacy First een principiële vraag naar de rechter: hoeveel toezicht op onverdachte burgers mag de overheid organiseren in naam van veiligheid?

Op 29 september 2026 deed het gerechtshof Den Haag een tussenuitspraak in het hoger beroep. Het hof vindt dat de Staat nog onvoldoende heeft onderbouwd waarom de privacy-inbreuk noodzakelijk is. De Staat moet nader uitleggen hoe belangrijk de opgeslagen gegevens daadwerkelijk zijn voor de opsporing en waarom een bewaartermijn van vier weken nodig is.

Het hof wees daarnaast op twee tekortkomingen in de huidige waarborgen: de keuze om camera’s op specifieke locaties te plaatsen moet onder onafhankelijk toezicht staan, en het raadplegen van opgeslagen gegevens moet vooraf door een rechter worden getoetst. De procedure is nog niet definitief afgerond, maar de boodschap is helder: zulke ingrijpende bevoegdheden vragen om stevige, onafhankelijke controle.

Veiligheid is geen blanco cheque

Criminaliteit opsporen is een legitiem doel. Maar dat doel maakt iedere vorm van gegevensverzameling nog niet noodzakelijk of proportioneel. De overheid moet kunnen aantonen waarom een ingreep nodig is, welke resultaten ermee worden bereikt en waarom minder ingrijpende middelen niet volstaan.

Ook bewaartermijnen en toegangsregels zijn niet genoeg als de inzet van camera’s en het raadplegen van gegevens onvoldoende onafhankelijk worden gecontroleerd. Waar de overheid gegevens over grote groepen onverdachte mensen verzamelt, moet de bewijslast bij de overheid liggen — niet bij de burger die moet hopen dat zijn gegevens nooit tegen hem worden gebruikt.

De inzet van Privacy First gaat daarom over meer dan kentekens. Het gaat om de grens tussen gerichte opsporing en structurele surveillance. Die grens hoort niet steeds verder op te schuiven omdat de techniek het mogelijk maakt.

Did you enjoy this article?

Recommend it — Standard Reader surfaces well-loved writing to more readers across the network.

Across the AtmosphereDiscussions